Palliatieve & terminale zorg thuis. Werkzaam in Zeist, Driebergen, Doorn, Maarn en Maarsbergen

Bijzondere ontmoetingen aan het eind van een leven

In de zomer van 2016 meldde ik me aan als aspirant-vrijwilliger voor terminale thuiszorg. Ik vier dus binnenkort mijn eerste lustrum. Ben ik nu een doorgewinterde terminale thuiszorger ? Niet echt. Ook na vijf jaar is het altijd nog wel een beetje spannend. Waar kom ik terecht, hoe is de stemming, wat zijn het voor mensen, hoe staan ze tegenover een vreemde in huis, hoe ziek is de zieke? Natuurlijk, ik heb een briefing gekregen, dus ik weet in grote lijnen iets over de situatie en de context. Ik weet iets over medicatie en levensverwachting. Ik weet van de houding van de partner, en hoe die eraan toe is. Ik zoek vantevoren het adres op op Google Maps, niet alleen om te weten waar ik heen moet maar ook om een indruk te krijgen van de wijk, het milieu. Ik heb me voorbereid. Ik stap op mijn fiets en bel aan.

De ene keer wordt de deur opengedaan door een zenuwachtige naaste, de andere keer is de sfeer efficiënt. Soms moet ik me een weg banen tussen spullen die nog uit de jaren ’50 en ’60 stammen, vertrouwde kopjes, pannetjes en kleedjes die iemand al decennialang trouw omringen, ergens anders lijkt het ingericht volgens de modernste designprincipes. Sommige mensen hebben een huis vol foto’s van kinderen, kleinkinderen, huisdieren, familieportretten, trouwfoto’s, anderen hebben die helemaal niet. De ene keer kom ik een huis binnen waar zóveel boeken zijn dat er dubbele rijen in de boekenkasten staan, in een ander huis is er geen boek te bekennen.

Ik ben in de afgelopen vijf jaar in heel wat huizen binnen geweest en in heel wat verschillende situaties terecht gekomen. Maar vooral heb ik veel mensen ontmoet. Het mag misschien vreemd klinken: wat zul je nog iemand “ontmoeten” aan het einde van diens leven ? Tot je beseft: het gaat nog steeds om “iemand”. Die dan wel terminaal is, binnen afzienbare tijd doodgaat, maar die niet ophoudt een mens te zijn. Het is nog altijd “iemand”, een persoonlijkheid. Met wie ik als vrijwilliger kan praten, kan communiceren, kan uitwisselen, een grapje kan maken, met wie ik een band kan aangaan, voor wie ik iets kan doen, die mij iets kan leren. En nee, dat is niet verdrietig of deprimerend, dat is alleen maar heel bijzonder.

Ik vond het bijzonder om wekelijks bij iemand te komen die er blij naar uitkeek dat ik haar zou voorlezen. Toen ze daar na verloop van tijd de concentratie niet meer voor kon opbrengen, vonden we een alternatief in oude gedichtjes en liedjes. Had je me vijf jaar geleden gevraagd of ik samen met een oude dame Katootje naar de Botermarkt zou zingen, dan had ik je ongelovig aangekeken.

Voorlezen deed ik ook bij een vrijgezelle meneer die zijn bed had aangepast aan zijn computer, met ingenieuze geleiders voor de kabeltjes en een draaitafeltje voor het toetsenbord. Wat hij las ? Nee, niet de krant, geen science fiction, maar … Duitse doktersromannetjes. Toch wel bijzonder. De keurige dame die me vroeg of ik alsjeblieft haar pincet wilde hanteren. Want ook bijna dood, vond ze het toch geen gezicht als er een haartje op haar kin zat. En ik snapte dat. Dus ik deed het. Bijzonder.

En die bijzonder grote mevrouw die zo wankel op haar benen stond en toch per se naar de wc wilde, een heel klein wc-tje waar haar rollator niet in paste. Bang dat ze misschien zou vallen, wilde ik de deur op een kier laten staan. Waarop ze uitriep: néé, NIET koekeloeren hoor !

De meneer die nooit slager kon worden, maar voor wie het aankopen en uitbenen van koeien zijn lust en zijn leven was, stelde mij op de proef door te vragen wáár in een runderkarkas zich de jodenhaas, het ezeltje en de muis bevinden, en hoe lang het staartstuk gebraden moet worden – en ik slaagde ! Zijn huzarenstukje, hoe hij voor een slager drie beesten moest gaan kopen voor de Pasen en hij bij een boer “een Belgische blauwe, een Blonde en een Piemontees” uitkoos, heeft hij me meer dan eens verteld, en telkens weer heb ik het met bewondering aangehoord. Wat jammer dat we elkaar niet veel eerder tegengekomen zijn, zei hij. Ja, dat zou leuk geweest zijn.

Spijt dat we elkaar niet eerder waren tegengekomen had ik ook bij de oude dame die op latere leeftijd filosofie was gaan studeren. Ze had overal pijn en kon bijna niets meer. Ze vroeg mij beschroomd haar te helpen een andere houding te vinden in bed. Ik zat op de rand van haar bed en ze zei: zo bijzonder dat je dit doet. Wildvreemden voor elkaar en dan toch zo intiem … we moesten allebei huilen.

Huilen was niet aan de orde bij de eigenzinnige vrouw die me bij binnenkomst toeriep: Ik ben hier, je moet niet schrikken. Ik riep terug dat ik wel wat gewend was, maar zó uitgemergeld had ik toch nog nooit iemand gezien. Haar sterke wil was allesbehalve gebroken. Bij haar uitvaart moest haar reputatie in perspectief gezet worden, en daartoe moest er iets boven water komen uit haar enorme archief. Of ik dat wilde gaan zoeken. Ik zocht, en zij zei: Jij snapt het. Toch vond ik het niet. Desondanks vonden wij elkaar. Te laat. Maar het was wèl een bijzondere ontmoeting.

Ik mag bij mensen zijn aan het eind van hun leven. Ik vind dat een groot voorrecht. En ik mag bij echtgenoten, kinderen, vrienden zijn in de zeer persoonlijke, intieme periode dat hun geliefde aan het eind van zijn leven is. Ook dat is bijzonder.

De dochters die, psalmen zingend aan het bed van hun stervende vader, mij uitnodigen erbij te komen. De zus die eindelijk de hond kan gaan uitlaten, doet alsof ze me al jaren kent en mij “wijffie” noemt. De echtgenote die zó aan slapen toe is dat ze haar man zonder meer de hele nacht aan mij, een vreemde, overlaat, en die de volgende ochtend om 8 uur beneden komt en verzucht: wat heb ik lekker geslapen ! De oude mevrouw die ’s ochtends vroeg in haar peignoir de tafel voor me dekt en een eitje voor me kookt omdat ik na een nacht waken bij haar man “wel een ontbijtje verdiend heb”. De zoon die over zijn wrok heenstapt en tóch voor zijn zieke vader komt zorgen – ik voel me overbodig en laat ze maar samen alleen. De vrouw die na lang aarzelen een weekendje weg gaat en voor mij een bed opmaakt, een bloemetje op het nachtkastje zet en een chocolaatje op het hoofdkussen legt met een kaartje met “bedankt” – alsof ik zelf óók in een B&B logeer. Ze liet haar zieke man met een gerust hart aan mij over. Niet omdat ze mij kende, maar omdat ze eraan toe was. Wat een vertrouwen … heel bijzonder.

En dan is er nog de nachtzorger die mij kwam aflossen en aan wie ik vroeg waar hij helemaal vandaan kwam. Uit Guinée, zei hij. Maar dat bedoelde ik niet ! O, ja, nou, hij kwam uit Purmerend, met de auto.

Al deze bijzondere ontmoetingen … dat had ik vijf jaargeleden niet kunnen bedenken. Zoveel mensen, die er nu niet meer zijn, of die ik nu niet meer zal zien, maar die me wel bij blijven.

Daarom vind ik dit vrijwilligerswerk zo bijzonder.

Marie-Louise Beerling
9 augustus 2021